Robert Jan Simons is hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en verbonden aan het Ivlos. Het Ivlos is een ICT-expertisecentrum van onze Universiteit. Waar Simons zich vooral mee bezighoudt is de manier waarop ICT ingezet moet worden in het onderwijs. In een informatief, verhelderend en interessant college gaf hij ons een overzicht van theorie en praktijk van ‘digitale didactiek’. Met zijn saaie manier van presenteren en slechts gewapend met een sobere PowerPoint-presentatie bewees hij impliciet het punt dat het onderwijs aangepast zal moeten worden op de internetgeneratie.
Simons startte saai maar goed met het plaatsen van zijn benadering in de geschiedenis van de wetenschap. Deze tactiek verheldert veel en laat zien dat er ook belangrijke andere benaderingen zijn. In drie jaar studeren heb ik zo een overzicht eigenlijk alleen teruggezien bij vakken die het verhelderen van stromingen in de wetenschapsfilosofie als doel hebben. Tijdens cursussen over digitale cultuur krijgen studenten een methode voorgeschoteld, waar ze zich vervolgens aan dienen te houden. Inzicht in de plaats van die methode in de wetenschapshistorie wordt meestal genegeerd.
Simons noemt drie benaderingen binnen het denken over het begrip reflectie. De stromingen die Simons noemt zijn het kritisch maatschappelijk perspectief, waartoe Freire en Habermas behoren, de pragmatische benadering van onder andere Dewey en de Kantiaanse benadering. Deze laatste benadering, gestoeld op de ideeën van Kant, wordt gebruikt door het Ivlos. Twee ‘modes’ van reflectie staan hierbij centraal. In de ‘belief mode’ reflecteren studenten op fenomenen die in de praktijk plaatsvinden of plaats hebben gevonden. Er worden vragen gesteld als ‘wat gebeurde er?’. De ‘design mode’ is een wat meer theoretische reflectie. Een vraag als ‘wat betekent het?’ past hier goed bij. Nogmaals wil ik aangeven dat niet-onderwijskundestudenten wat mij betreft ook op zulke theorieën gewezen mogen worden. Studeren verandert dan van een ‘know how’ in een ‘know that’ en dat lijkt mij een voorwaarde voor vooruitgang in het onderwijs. Daarnaast is weten hoe leren werkt voor kenniswerkers natuurlijk geen verkeerde zaak.
Het tweede deel van het college ging over de manier waarop onder andere het gedachtegoed van Herz toegepast wordt in de praktijk. Simons gebruikte hiervoor als voorbeeld het 11-val-stappenplan. Op HBO’s, MBO’s en in het bedrijfsleven worden leerlingen in elf stappen begeleid van begincompetentie naar een beoogd competentieprofiel. De woorden begeleiding, reflectie en competentie zijn hierbij cruciaal. De rol van de docent is niet docerend maar begeleidend, vooruitgang wordt vooral geboekt door de twee modes van reflectie en alle stappen staan in het teken van de beoogde eindcompetenties. Digitale leermiddelen zijn een handig hulpmiddel in het proces, maar de digitale cultuur had vooral grote waarde bij de constructie van het gedachtegoed, zoals ook al bleek uit de tekst van Herz.
De stelling Simons die tijdens het gastcollege de meeste reacties opleverde was dat het competentiegerichte leren ook aan de Universiteiten ingevoerd moet worden. Hier wil ik slechts één kritische noot bij plaatsen. Het ‘doel’ ‘competentiegericht leren aan de Universiteit Utrecht’ kan pas behaald worden als de stap ‘kritische reflectie op het onderwijs’ uit het stappenplan door alle studies genomen wordt. Vragen als ‘hoe kan de studie CIW verbeterd worden?’ uit de ‘belief mode’ en ‘waarom bestaat de studie CIW nu eigenlijk?’ uit de ‘design mode’ zullen binnenkort gelukkig besproken gaan worden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten